Stap 5 van de theorie: constanten als toestand. Links de rotatiekromme van een sterrenstelsel zoals Newton haar tekent en zoals Milgrom haar tekent, met de knik bij de versnelling a₀. Rechts dezelfde formule gelezen als een plaat onder trek: de 'constante' is een stand van de belasting, en de plaat antwoordt dicht bij de last als ruimte en ver van de last als vlies. Schuif de sonde en zie de constante meebewegen.
Gestippeld Newton: v = √(GM/r), dalend als 1/√r. Doorgetrokken Milgrom: a·μ(a/a₀) = aN met μ(x) = x/(1+x); ver van de massa wordt v vlak op (GMa₀)¼. De onderste grafiek is dezelfde formule als relatie tussen de gemeten en de Newtonse versnelling: boven a₀ de diagonaal, onder a₀ de wortel — de knik. Een sonde-punt (goud) loopt in beide grafieken mee.
Bron en aanname. Links staat Milgroms formule (Milgrom, Astrophysical Journal 270, 365, 1983) met de eenvoudige interpolatie μ(x) = x/(1+x) en a₀ = 1,2·10⁻¹⁰ m/s², plus de radiale versnellingsrelatie zoals McGaugh, Lelli en Schombert haar in 153 stelsels maten (Physical Review Letters 117, 201101, 2016); overzicht in Famaey & McGaugh, Living Reviews in Relativity 15, 2012. De vlakke rotatiekrommen en de baryonische Tully–Fisher-relatie v⁴ ∝ M zijn metingen; of ze door een gewijzigde dynamica (MOND) of door donkere materie (ΛCDM) worden verklaard, is een open wetenschappelijke vraag — deze pagina beslist dat niet, ze tekent Milgroms kromme. Wat lezing is en geen natuurkunde: dat de constante G een stand van de belasting van het net is (Geff/G = 1/μ), en dat de plaat dicht bij de last als driedimensionale ruimte antwoordt (a ∝ 1/r², helling −2) en ver van de last als tweedimensionaal vlies (a ∝ 1/r, potentiaal ∝ ln r, helling −1) — de diepe-MOND-potentiaal ís de potentiaal van een puntlast op een vlies onder trek (Vacuum.Net, theorie-intern). De rechter tekening is de potentiaalput als doorsnede van zo'n vlies.